maandag 29 november 2004, door Ministerie van Buitenlandse Zaken
Betreft Uw verzoek inzake de juridische positie van gevangenen in Guantánamo Bay Zoals toegezegd in het Algemeen Overleg Evaluatie Vredesoperaties van 30 september jl. informeer ik u hierbij over de juridische aspecten van de positie van gevangenen in Guantánamo Bay.
Sinds 2002 zitten ongeveer 600 gevangenen uit de oorlog in Afghanistan vast op de Amerikaanse basis Guantánamo Bay op Cuba. De Nederlandse regering, de Europese Unie en de Raad van Europa hebben nadrukkelijk uitgesproken dat de behandeling van de gevangenen dient te voldoen aan de normen van de Geneefse Conventies en andere relevante regels van het internationaal recht, en hebben hier ook meermalen op aangedrongen bij de Verenigde Staten, laatstelijk tijdens het reguliere EU-VS overleg op niveau van MRA.
Op 28 juni jl. heeft het Amerikaanse Hooggerechtshof bepaald dat buitenlanders die worden vastgehouden op Guantánamo Bay een betekenisvolle gelegenheid moeten krijgen om hun detentie voor de Amerikaanse rechter aan te vechten. Dit geldt evenzeer voor Amerikaanse gevangenen die in de VS zelf worden vastgehouden in verband met vermeend terrorisme.
Als een consequentie van deze uitspraak heeft de VS zogeheten «Combatant Status Review Panels» ingesteld om te beoordelen of de gevangenen in Guantánamo Bay juist gecategoriseerd zijn. Een dergelijke toetsing van de status van gedetineerden is verplicht onder de derde Geneefse Conventie, die vereist dat bij twijfel over de status (burger of krijgsgevangene) van een gedetineerde een competent tribunaal hierover oordeelt. De regering meent dat het instellen van deze «Combatant Status Review Panels» een positieve ontwikkeling is. De gevangenen krijgen hiermee de mogelijkheid om hun detentie aan te vechten.
De regering is van mening dat de creatie door de VS van een derde categorie van personen (naast burgers en krijgsgevangenen), de zogeheten «unlawful combatants», vanuit juridisch oogpunt onwenselijk is. Deze categorie «unlawful combatants» bestaat niet in het international humanitair recht. Hantering van deze kwalificatie introduceert derhalve onduidelijkheid over internationale rechtsnormen en handhaving daarvan. Indien gevangenen niet als krijgsgevangenen in de zin van de derde Geneefse Conventie kunnen worden beschouwd, dan moeten ze onder de vierde Geneefse Conventie als burgers worden behandeld. Daarbij lijkt het twijfelachtig of leden van de Talibaan gekwalificeerd kunnen worden als «unlawful combatants», aangezien ook beargumenteerd zou kunnen worden dat zij optreden als leden van de krijgsmacht van een partij in het conflict. Dit impliceert dat zij de status van krijgsgevangenen behoren te hebben.
De VS heeft 15 gevangenen in Guantánamo Bay aangewezen voor een rechtsproces door een militaire commissie voor oorlogsmisdrijven en gerelateerd misdrijven. Op 23 augustus jl. is de VS begonnen met rechtzaken tegen vier gevangenen uit respectievelijk Jemen, Afghanistan, Soedan en Australië.
De VS heeft beoogd te voorzien in een eerlijke en volledige rechtsgang, daarbij tegelijkertijd de eigen nationale veiligheid beschermend. Onder publieke en buitenlandse druk heeft de VS de oorspronkelijk procedures enigszins aangepast om te bereiken dat mensenrechtennormen worden nageleefd. Niettemin lijken de zittingen niet op ’gewone’ rechtzaken. Punten van zorg zijn o.a. het feit dat gesprekken tussen verdachten en hun advocaten mogen worden afgeluisterd en verschonend bewijs geheim kan worden gehouden als de aanklager daarom vraagt.
Het aanpassen van de procedure door de VS getuigt mijns inziens van het besef dat de aandacht van de internationale gemeenschap terecht gericht is op de kwaliteit van de procedure. Ook hier geldt dat het mij in dit stadium niet aangewezen lijkt om een nader oordeel over deze procedure te vellen.
De regering heeft in het verleden bij verschillende gelegenheden aandacht gevraagd voor de positie van de gevangenen in Guantánamo Bay. Hierover berichtte ik u eerder onder andere in antwoord op vragen van het lid Koenders, meest recentelijk op 1 september jl. Ik zal de ontwikkelingen ook de komende tijd nauwkeurig blijven volgen.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Dr. B.R. Bot
Ministerie van Buitenlandse Zaken Bezuidenhoutseweg 67 Postbus 20061 2500 EB Den Haag Tel.: 070-3 486 486 Fax: 070-3 484 848 E-mail: dvl-info@minbuza.nl Internet: www.minbuza.nl
Letter Dutch Minister of Foreign Affairs on the Guatánamo prisoners
In a letter of 1 November 2004, on the Guatánamo prisoners, the Dutch Minister of Foreign Affairs Minister declares that the creation by the USA of a third category of persons (next to normal citizens and war prisoners), namely ‘unlawful combatants’ is from a legal point of view ‘undesirable’. The Minister underlines that this category does not exist in international law. In the letter, the Minister refers to the judgment of the US Supreme Court of 28 June 2004, in which it was decided that the foreign detainees should have the possibility to appeal against their detention before an American court. The Dutch Minister acknowledges that the US government expressed their intention to provide for full and fair legal procedures, taking into account the protection of their own national security. Nevertheless, the actual judicial procedure which the US intends to provide (after) for the prisoners still raises concerns, according to the Dutch Minister. He refers to the actual practice of eavesdropping of the conversation between prisoners and their lawyers and the fact that evidence can be kept secret during the procedure on request of the prosecutor.