dinsdag 30 november 2004, door Dutch Data Protection Authority
Geachte heer Donner,
In de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en u van 10 september 2004 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal hebben de heer Remkes en u bekend gemaakt dat het kabinet nieuwe maatregelen en bevoegdheden zal invoeren voor de bestrijding van het terrorisme. Hierbij is aangegeven dat het gaat om de coördinatie van de bestrijding, de respons op een concrete dreiging en om bevoegdheden met het oog op het voorkomen van terrorisme. Uitgebreide verzameling, koppeling en analyse van informatie over groepen en personen ziet het kabinet als de sleutel tot het voorkomen van terrorisme.
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) constateert dat de noodzaak van uitbreiding van bevoegdheden tot het verzamelen van informatie niet is aangetoond. De vergaande coördinatie van de informatieverzameling miskent de gescheiden wettelijke taken en bevoegdheden die inlichtingendiensten en politie hebben. Voorts meent CBP dat structureel toezicht op de informatie die in het kader van deze nieuwe bevoegdheden wordt vergaard, geboden is.
In uw brief wijzen de heer Remkes en u erop dat informatie de belangrijkste grondstof is voor terrorismebestrijding. De informatie-uitwisseling tussen veiligheidsdiensten, politie, openbaar ministerie en IND zal daarom worden geïntensiveerd. Daartoe wordt een informatieknooppunt in het leven geroepen, de Contra-Terrorisme-infobox, waar bestanden zullen worden gecombineerd en geanalyseerd. Dreigingsanalyses van het informatieknooppunt kunnen leiden tot strafrechtelijk of vreemdelingenrechtelijk ingrijpen tegen individuen maar ook tot «inlichtingenmatige observatie» van personen, eventueel over langere perioden. Indien aan terrorisme gerelateerde activiteiten worden geconstateerd die niet kunnen worden getypeerd als strafrechtelijke feiten, kan ook worden overgegaan tot het «verstoren» van deze activiteiten. Door een persoon zodanig in de gaten te houden dat hem en zijn omgeving duidelijk wordt dat hij onderwerp is van overheidsoptreden, zou deze feitelijk geen rol meer kunnen spelen in aan terrorisme gerelateerde zaken. In uw hoedanigheid als de Minister van Justitie zal u verantwoordelijk worden voor de algemene aanpak van verstoringsacties.
Het CBP signaleert in de voorstellen een verruiming van bevoegdheden zonder dat de onderbouwing met feiten is gestaafd. De nieuwe bevoegdheden komen boven op de 1 september 2004 in werking getreden antiterrorismewetgeving. Het ging hierbij om uitbreiding van de reikwijdte van het Wetboek van Strafrecht door nieuwe strafbaarstellingen en door verhoging van de strafmaat voor het plegen van misdrijven met een terroristisch oogmerk. Voorts is samenspanning (dat wil zeggen het maken van afspraken) tot terroristisch handelen strafbaar gesteld.
Met deze nieuwe wettelijke bepalingen voor informatieverwerking is nog geen enkele ervaring opgedaan die zicht geeft op nut en noodzaak van de maatregelen. Daarbij komen nog de reeds ingevoerde of nog in te voeren bevoegdheden voor het onderscheppen van telecommunicatie en de bevoegdheid tot het opeisen van informatie bij bedrijven en andere organisaties. De voorstellen betekenen dat opsporingsbevoegdheden al mogen worden ingezet zonder dat sprake is van verdenking van overtreding van het Wetboek van Strafrecht. Het is, aldus uw brief, voor de overheid voldoende dat een burger haar argwaan opwekt om hem te kunnen observeren teneinde vast te stellen of de argwaan gerechtvaardigd is of niet.
Het CBP waarschuwt voor de gevolgen van een vermenging van de taken van veiligheidsdiensten en politie. Uw kabinet introduceert met de Contra-Terrorisme-informatiebox een concept dat veel vragen oproept. Het lijkt een vrijbrief voor ongelimiteerde informatieuitwisseling tussen de veiligheidsdiensten en de politie. Dit betekent dat onderzoek op grond van losse vermoedens en aannames op grotere schaal gedeeld zal worden. Zo lijkt informatie over veel onverdachte burgers van de dossiers van de veiligheidsdiensten terecht te zullen komen in de politieregisters.
De gevolgen van zo’n vermenging van functies kunnen zeer ingrijpend zijn. De bescherming van de staatsveiligheid is primair een zaak van de inlichtingendiensten. Deze hebben zeer vergaande bevoegdheden om reeds bij het enkele vermoeden dat de staatsveiligheid in het geding is informatie te verzamelen. Het delen van deze veelal ‘‘zachte» informatie met de opsporingsdiensten mag pas plaatsvinden, na zorgvuldige analyse en taxatie, indien sprake is van een begin van verdenking dat er strafbare feiten worden beraamd of gepleegd. Samenwerking is noodzakelijk voor terrorismebestrijding, maar de politie moet dan wel worden geïnformeerd op een moment dat er sprake is van uitoefening van de politietaak. Op dat moment kan informatie van met name de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst worden ingebracht in een gemeenschappelijke informatiebox.
Los van nut en noodzaak van de voorgenomen maatregelen ontbreekt in de geschetste plannen een voorstel voor een adequate en structurele controle op het proces van het verzamelen en delen van informatie. Het zou een ernstige tekortkoming zijn als het kabinet hierin niet voorziet. Veel van de werkzaamheden zullen in het verborgene blijven, ook voor de personen die ten onrechte voorwerp van onderzoek zijn geweest. Des te noodzakelijker is het om controle op de uitoefening van deze vergaande overheidsmacht in te bouwen. De burger moet beschermd worden tegen terrorisme maar moet ook het vertrouwen kunnen behouden dat de overheid op rechtmatige wijze haar vergaande bevoegdheden uitoefent.
Het CBP onderschrijft vanzelfsprekend de noodzaak voor het kabinet om effectieve maatregelen te nemen ter bestrijding van het terrorisme. Internationale verdragen, Europese regels, de Nederlandse grondwet en andere wetten vereisen echter dat de beoogde verwerking van informatie over grote groepen onverdachte burgers voldoet aan de maatstaf van nut en noodzaak en dat voorzien is in rechtsbescherming. In zijn advisering aan de heer Remkes , u en de andere betrokken ministers zal het CBP eventuele wetsvoorstellen op basis van deze plannen beoordelen aan de hand van dit normatieve kader.
Hoogachtend,
Mr. U. van de Pol
Waarnemend voorzitter
Download at PDF format
Letter of the Dutch Data Protection Authority on the lack of control with regard to the data collection by police authorities on unsuspected citizens, 10 September 2004
In this letter to the Minister of Justice, the Dutch Data Protection Authority expresses its concerns with regard to the new anti-terrorism measures which are taken by the Dutch government and especially on the extension of powers of the Dutch authorities to collect data on unsuspected citizens. According to the Data Protection Authority, the necessity of the extension of powers has been insufficiently motivated. The Data Protection Authority warns for the consequences for combining the tasks of police and intelligence agencies. The use of the new ‘Contra-Terrorism-informationbox’ would allow the use of ‘soft’ information of intelligence agencies by the police. As a result of these measures, information on a large group of unsuspected citizens will be recorded into police files. The Data Protection Authority calls for measures to protect citizens with regard to the data collection in the fight against terrorism.
http://www.cbpweb.nl/downloads_overig/br_pb_20040921.pdf?refer=true&theme=purple